Levensloopbestendig wonen volgens Adrie Evertse

Voor veel mensen is levensloopbestendig wonen nog altijd een ver-van-mijn-bed-show, iets waar je pas mee begint wanneer het echt nodig is. Wat mensen vaak niet weten, is dat het aanpassen van een particuliere woning soms behoorlijk wat voeten in de aarde kan hebben. Adrie Evertse, huisarts en directeur van stichting KOEL, ziet vanuit zijn beroepssector dat mensen nogal eens tegen problemen aanlopen wanneer ze hun woning toekomstbestendig willen maken. “Mensen beseffen niet altijd dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie.”

‘Als je in een ingewikkeld huis woont, is dat misschien niet makkelijk levensloopbestendig te maken’

Vergunningen en subsidies

Het kan je zomaar gebeuren. Het ene moment ben je nog vitaal en gezond, het andere moment word je getroffen door een beroerte en staat alles op zijn kop. Je wilt graag in je eigen woning blijven wonen, maar dan moet er wel het een en ander worden aangepast. Dat regelen we tegen die tijd wel, denk je nu misschien, maar dat is lang niet altijd even eenvoudig. Als huisarts kent Evertse de voorbeelden uit zijn praktijk. “Een ouder echtpaar in mijn praktijk woont op dit moment in een gelijkvloerse bungalow die niet levensloopbestendig te maken valt. Nu hebben ze bedacht dat ze van de grote garage ernaast een levensloopbestendige woning willen maken, maar krijgen daar van de gemeente geen vergunning voor. Ik denk daarom dat het goed is als mensen van tevoren nadenken over toekomstbestendig wonen. Als je in een ingewikkeld huis woont, is het misschien helemaal niet zo makkelijk om dat levensloopbestendig te maken.”

Het verschil tussen een huurwoning en een koopwoning is op het gebied van levensloopbestendig wonen eigenlijk te groot, meent Evertse. “Bij huurwoningen neemt de woningbouwstichting veel van de benodigde aanpassingen voor zijn rekening. Particuliere huizenbezitters moeten dit op eigen initiatief doen. Daarbij krijgen ze te maken met allerlei verschillende partijen zoals de gemeente, bouwbedrijven, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en allerlei lokale en landelijke wetgeving. Soms moeten mensen van loket naar loket en hebben ze al heel wat papieren ingevuld voordat ze eindelijk te horen krijgen of ze wel of geen vergunning of subsidie krijgen om hun woning aan te passen. Het lijkt me goed als mensen zich dat realiseren. Als je weet dat het soms best wat moeite kan kosten om een woning aangepast te krijgen, dan kan je daar vooraf rekening mee houden. Wacht je te lang en moet je veel moeite doen om je huis aan te passen, dan ben je straks misschien zo oud dat je er niet eens meer goed van kan genieten.”

‘Soms komen mensen na een beroerte nog nauwelijks de trap af. Dat wil je niet.’

adrie-evertse-vierkant1

Plan de campagne

Dat een deel van de mensen tot op hoge leeftijd nog prima kan functioneren in zijn eigen huis, maakt de urgentie voor veel mensen minder hoog, meent Evertse. “De individuele toekomst van de burger ligt niet vast. Maar vanaf een jaar of 50 neemt het afbreukrisico van het menselijk lichaam geleidelijk aan toe en dat gaat met steeds grotere stappen. Elk mens heeft de neiging om ellende voor zich uit te schuiven. Begrijpelijk, maar dat kan heel onhandig zijn. Een patiënt van rond de 60 die een beroerte krijgt, kan behoorlijk gehandicapt uit de revalidatie komen. Als er in de tussentijd in zijn woning niet een aantal zaken aangepast zijn, dan kan die persoon gewoon niet goed terug in zijn eigen woning. Dat gebeurt. Je ziet soms zelfs dat die mensen daardoor alleen maar op de eerste verdieping leven en nauwelijks nog de trap af komen. Dat wil je niet. Natuurlijk moet niet iedereen uit voorzorg maar een traplift nemen, maar realiseer je dat er iets kan gebeuren en vraag je daarbij af: is deze woning dan nog wel geschikt voor mij?”

‘Stel dat er iets gebeurt, dan kost het weinig moeite om mijn woning aangepast te krijgen’

Zelf heeft de huisarts zijn eigen plan de campagne al klaarliggen. “Ik woon in een oud huis met veel trappen. Doordat ik vroeger veel gesport heb zijn mijn knieën wat minder, dus als ik de trap oploop word ik er wel aan herinnerd dat mijn lichaam eindig is. De benedenverdieping van ons huis is dan ook zo ingericht dat het gemakkelijk levensloopbestendig te maken valt. Stel dat er iets gebeurt, dan kost het weinig moeite om mijn woning aangepast te krijgen. Ik ben er dus niet ontzettend mee bezig, maar ik ben wel voorbereid. In mijn praktijk zie ik gelukkig ook dat mensen vanaf een jaar of 55 na beginnen te denken over de toekomstbestendigheid van hun woning. Als huisarts heb je daar geen hele grote rol in, maar als ik van mensen weet dat ze bijvoorbeeld met een nieuwe badkamer of keuken bezig zijn, kan ik wel zeggen: denk er eens over om het meteen toekomstbestendig te maken. Want als je kiest voor een bad en je krijgt ineens slechte heupen, denk je waarschijnlijk: hadden we nu maar gelijk die inloopdouche genomen.”

adrie-evertse-vierkant2

‘Levensloopbestendig wonen blijft uiteindelijk toch het initiatief van de burger zelf’

Adrie merkt dat aardig wat mensen ervoor kiezen om gelijkvloers te gaan wonen en de eengezinswoning achter zich te laten. Toch is een deel van de mensen erg gehecht aan hun woning en woonplaats. “Je kent je buren, hebt je winkeltje om de hoek of je parkje waar je de hond uitlaat”, zegt Evertse. “Maar hoe vertrouwd je woning ook is, de vraag blijft of jouw huis de meest geschikte plek voor je is. Als je toch in je eengezinswoning wilt blijven, houd er dan rekening mee dat de woning aangepast moet worden. En dat dat soms niet makkelijk is. Toekomstbestendig wonen is iets waar de burgers, het bedrijfsleven en de gemeente allemaal nog op ingespeeld moeten raken. Op tijd nadenken over je woning en de aanpassingen die nodig zijn om er over 15 jaar nog prettig te kunnen wonen, dat advies zou ik mensen nu willen geven. Levensloopbestendig wonen blijft uiteindelijk toch het initiatief van de burger zelf.”

adrie-evertse-vierkant3

Wat kunt u nu doen?